Communisprudentie.NL
 
     
     
 
Leren we echt van zo’n Grondwetreferendum?
Hoogste tijd voor communisprudentie
Waarom grijpen we het EU-referendum van vorig jaar niet aan om ons vak op een hoger peil te brengen? Boekstaven die lessen! Doen juristen toch ook? Communisprudentie: steunbeer bij professionele dilemma’s op basis van de geëvalueerde praktijk.

Door Guido Rijnja

In Comma van juli vorig jaar werd teruggeblikt op het grondwetreferendum. De auteurs spraken over ‘een karrenvracht vol communicatieve jurisprudentie’ en ‘het cadeautje van 1 juni’. Dat waren grote woorden, maar er was dan ook iets aan de hand: kijk door je wimpers terug en je ziet een korte campagneperiode, zich slecht geïnformeerd voelende burgers, politieke partijen die campagne voerden als ging het om verkiezingen, een kabinet dat vaker het nieuws haalde met schrikbeelden dan met nut-en-noodzaakargumenten en een debat van oneliners en zwartmakers. We zagen dat persaandacht het won van officiële zenders, en dat je ruis creëert met de dubbele boodschap: kom vooral te stemmen, en als u stemt stem dan vóór.

Een zusje voor jurisprudentie
Zo’n belangrijke gebeurtenis schreeuwt toch om een stevige uitspraak over ons vak? Dát is namelijk wat juristen doen na een rechterlijke uitspraak over een lastige kluif die er echt toe doet. Dan vormen ze jurisprudentie: maatstaf voor volgende situaties. Neem eens dat grijze boekje van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) ter hand: 15 procent bestaat uit de officiële wettekst, 85 procent beschrijft uitspraken over het gebruik van de wet. Bij twijfel kun je terugvallen op eerdere bad en good practices.
Hoogste tijd dus voor de communicatieve pendant: communisprudentie. Logeion, de bundeling van BVC en VVO, zal hier serieus aandacht voor moeten hebben. Niet alleen het (beroeps)onderwijs heeft baat bij klare taal over belangrijke cases in ons vak, ook in de praktijk draagt zoiets bij aan de kwaliteit van het vak. Bijvoorbeeld bij een volgend referendum . . .

Communicatierechtspraak?
Maar ja, wie bepaalt wat een gezaghebbende uitspraak mag heten? En: is dit een roep om een communicatierechter? Goede vragen. Kunnen we niet om te beginnen binnen de beroepsvereniging teams vormen van leden die belangrijke kluiven in de vakbeoefening op hun bord nemen en daar een uitspraak over doen op basis van een samenballing van relevante, al of niet theoretische inzichten?
Hier ligt een uitdaging van jewelste. We beschikken met vakbladen, vakgroepen, bibliotheken en praktijkevaluaties toch over een aantrekkelijk basispakket aan gestolde inzichten? Bij elkaar leggen die haardblokken, dan krijgen we prima vuur voor het vak!

Maatstaven gezocht
Alleen lessen op een rijtje met een strik eromheen is wat dunnetjes. We moeten toetsingskaders aanleggen. Binnen handbereik: de Principiële Uitgangspunten voor Overheidscommunicatie. Het kabinet stelde dit richtsnoer in 2001 vast na het regeringsadvies van de Commissie Toekomst Overheidscommunicatie (‘commissie-Wallage’). Deze maatstaven gelden voor alle communicatie-uitingen van de rijksoverheid, zoals: de overheid moet als afzender altijd herkenbaar zijn. Maar daar heb je als communicatiekundige bij een bedrijf natuurlijk weinig aan. Zijn generieke maatstaven mogelijk of vragen overheid en bedrijfsleven (deels) eigen toetsstenen? We zetten met het grondwetvoorbeeld voor ogen een volgende stap en zien drie specifieke maatstaven.

1. Hybride instrument
Het referendum als instrument heeft twee gezichten: er is sprake van een politiek en maatschappelijk debat met formele juridische aspecten, en tegelijkertijd met ontegenzeggelijk communicatief-democratische aspecten. Juist die mix maakt het als instrument zo boeiend, en kwetsbaar. Daarbij past het niet een wet te ‘verkopen’. Burgers prikken daar doorheen en willen - ze zeiden het regelmatig en luid - informatie hebben. Dat vraagt om ambachtelijke voorlichting en overtuiging.
Het hybride karakter van het referendum als instrument pleit daarom voor intensieve dialoog tussen juristen en communicatoren. Beide disciplines zullen elkaars denken en handelen moeten kennen en begrijpen, om daarna samen het referendum vorm te geven: zo kun je de vraagstelling strikt juridisch vormgeven, maar een vraag is in wezen het begin van communicatie . . . waarmee we maar willen zeggen dat het riskant is om bij referenda enkel rekening te houden met de formele juridische aspecten ervan. Bovendien waren deze eerste keer de spelregels niet bekend, waardoor in de aanloop naar 1 juni veel van wat communicatief mis kon gaan, ook echt is misgegaan.

2. Interactiepatroon
Bij het referendum hadden politiek, maatschappij en communicatieprofessie indringend met elkaar te maken. Kerndoel van het referendum is om politiek en maatschappij tot een goed gesprek te laten komen, waarbij de burger wordt gevraagd al dan niet in te stemmen met een voorstel van de politiek. Daar zijn argumenten, achtergronden, informatie en kennis voor nodig. Tegelijkertijd is het professionele domein aan zet om het politieke en het maatschappelijk domein te bedienen: simpel gezegd advies aan de politieke opdrachtgevers en voorlichting aan de burgers. En om deze twee arena’s bij elkaar te brengen. Dat gaat dus niet vanzelf.

3. Communicatieve expressie
Cees van Riel presenteerde in 2003 het reputatiequotiënt (RQ) als houvast bij het bepalen van de kwaliteit van corporate communicatie . Vier criteria funderen een succesvolle ‘communicatieve expressie’: consistent handelen, transparant en authentiek zijn, onderscheidend vermogen hebben en op een creatieve manier intelligent zijn. De vraag die zich onmiddellijk aandient is: hoe koppel je als regering en parlement je actuele en specifieke communicatie - bij zoiets ingewikkelds en nieuws als een nationaal referendum over Europa - aan het duurzame verhaal, dat je ook wilt vertellen? Hoe hanteer je de vier maatstaven in een setting waar iedere vier jaar de boel kantelt en je in alle openbaarheid je ellende uitstalt? De referendumcommunicatie was niet consistent met het decennialang niet of slechts sceptisch praten over Europa, ze was gekunsteld en niet doordacht en bovendien slechts onderscheidend in negatieve zin: te veel werden burgers geschoffeerd en bang gemaakt.

Uitspraak
Tot welke uitspraak leidt dit? Een voorzet:
- beschouw een referendum als een hybride instrument: heb aandacht voor de dubbele karakteristiek ervan
- blijf bij het centrale punt: de overheid vraagt iets aan burgers, geef burgers informatie en laat hen zelf een mening vormen; manipuleer niet
- zorg ervoor dat je inzicht hebt in de verschillende arena’s en de verbindingen ertussen
- houd ten slotte de vier succesfactoren voor een sterk en geloofwaardig corporate verhaal voor ogen.

Verder met communisprudentie?
Belangstelling voor een volgende stap? Welke onderwerpen lenen zich ervoor? Welke maatstaven zijn geschikt? Meld uw belangstelling of voorbeelden via g.rijnja@minaz.nl.

Guido Rijnja werkt bij de Academie voor Overheidscommunicatie van de Rijksvoorlichtingsdienst.


--------------------------------------------------------------------------------

I ‘Wat doen we met het cadeautje van 1 juni?’, Guido Rijnja en Hub van Wersch, Comma juli 2005.
II In de serie van Schuurman en Jordens.
III Cees van Riel, ‘Identiteit en imago’, Academic Service 2003.

   
 
Communisprudentie.NL